[Intro – gesproken, zij]
As ik ’s mörgens de deur lösdoe,
heur ik eerst de wind.
En as ik even wacht,
heur ik mien dorp.
[Couplet 1 – hij]
Ik kwam hier voor de ruimte,
voor een tuin en wat meer licht.
Voor een huis dat nog betaalbaar was,
voor rust na mijn werk en plicht.
Ik dacht: hier begint het leven
wat langzamer misschien.
Ik wist niet dat die stilte
al van iemand kon zijn.
[Couplet 2 – zij]
Hier kennen wie de weg hier,
de sloot, het land, de lucht.
Wie der ’s aovend nog an ’t fietsen is,
en wie der veur de regen vlucht.
En nou staait hier een nij huis
op de plek van ’t oude groen.
Ik denk: welkom, as je wilt…
maar laat ons ook wat doen.
[Refrein – samen]
De stilte is van ons allebei,
maar klinkt voor ieder anders.
Jij zoekt hier ruimte om te leven,
ik wil mijn ruimte niet verliezen.
Misschien begint het met een vraag,
misschien met even blijven staan.
De stilte is van ons allebei—
we kunnen erin naast elkaar bestaan.
[Couplet 3 – hij]
Ik weet soms niet wanneer ik
hier echt een beetje hoor.
Ik groet, ik maak een praatje,
maar kom niet altijd door.
Ik wil niet alles anders,
ik wil niet overnemen.
Maar als ik vraag waar ik mag staan,
lijkt zelfs dat soms een probleem.
[Couplet 4 – zij]
Ik zeg niet dat je weg moet,
of dat je hier niet past.
Maar soms komt alles snel hier,
en houdt de wereld weinig vast.
Je koopt een huis, je kent de buren niet,
je weet niet wat hier leeft.
En as ik niks zeg, denken ie:
dat ze niks te zeggen heeft.
[Refrein – samen]
De stilte is van ons allebei,
maar klinkt voor ieder anders.
Jij zoekt hier ruimte om te leven,
ik wil mijn ruimte niet verliezen.
Misschien begint het met een vraag,
misschien met even blijven staan.
De stilte is van ons allebei—
we kunnen erin naast elkaar bestaan.
[Tussenstuk – om en om]
Hij: Waar komt u vandaan?
Zij: Van hier.
Hij: Mag ik hier blijven?
Zij: Dat mag.
Hij: Hoe leer ik deze plek kennen?
Zij: Kom mor es, op ’n dag.
[Laatste couplet – om en om, daarna samen]
Hij: Ik hoef niet alles te begrijpen,
maar ik wil wel leren zien.
Zij: En ik wil niet elke dag
weer uitleggen wie ik bin.
Hij: Jij hebt hier al een leven.
Zij: En jij begint hier misschien.
Samen: Als we elkaar wat tijd gunnen,
kan er plaats voor beiden zijn.
[Laatste refrein – samen, rustig beginnen en opbouwen]
De stilte is van ons allebei,
en klinkt nu iets vertrouwder.
Jij zoekt hier ruimte om te leven,
ik laat mijn deur wat verder open.
Misschien begint het met een vraag,
misschien met samen blijven staan.
De stilte is van ons allebei—
we kunnen erin naast elkaar bestaan.
[Outro – zij, zacht]
Kom mor es binnen.
Hij: Dank je. Ik kom eraan.
[Samen, gesproken of gezongen]
En eerst… even luisteren.